Gouden Tientje Historie

Nadat Napoleon in 1813 gevallen was en er een einde kwam aan zijn overheersing was er Engeland en het toenmalige Duitsland veel aan gelegen om een veilige buffer te hebben tegen mogelijk toekomstige Franse dreigingen. De oplossing lag voor de hand door de voor Napoleon naar Engeland gevluchte Willem I terug te laten keren. Op 16 maart 1815 nam soeverein vorst Willem I zelf de titel koning der Nederlanden aan. Kort daarna is begonnen de gouden tientje historie te schrijven.

Op 18 september 1816 werd door Willem I de muntwet aangenomen waarmee de onderverdeling van de gulden in 100 centen werd vastgelegd. Hiermee werd gelijk het decimale muntstelsel ingevoerd in Nederland, ook werd de waarde van de gulden aan de prijs van zilver en die van goud verbonden. Het ontstaan van het gouden tientje vond twee jaar later plaats en elke guldenmunt werd vanaf dat moment van de inscriptie ‘God zij met ons’ en de afbeelding van de vorst of vorstin voorzien. Het antwoord op de vraag waar komt het gouden tientje vandaan is hiermee nog niet volledig beantwoord. Koning Willem I was de koning van Nederland en België en dit was vooral voor de Franstalige Belgen maar moeilijk te veteren. Steeds meer kwamen zij in opstand en ook het besluit van Willem I op de regering in zowel Den Haag als ook in Brussel te laten resideren maakte hier geen eind aan. Het gouden tientje werd vanaf 1824 ook op twee plaatsen geslagen, in Utrecht de plaats van de huidige Nederlandse Munt en in Brussel. De gouden tientje historie leert u dan ook dat u de plaats waar een gouden tientje is geslagen ook op het gouden tientje terug kunt vinden. U kunt dit zien aan het muntteken waar een B voor Brussel en een Mercuriusstaf met slangen voor Utrecht staat afgebeeld. Uiteindelijk was deze oplossing voor het slaan van het gouden tientje en de herkomt weergeven door middel van een muntteken geen oplossing. In 1839 had Koning Willem I geen andere keuze dan de onafhankelijkheid van het Belgische koninkrijk te erkennen en een jaar later deed hij afstand van de troon.

De gouden tientje historie werd voortgezet door koning Willem II ook al is er door hem maar één serie in 1842 uitgegeven. Bij het ontstaan van het gouden tientje werd de verbondenheid van de waarde van de gulden aan de prijs van zowel zilver als goud niet goed geschat. Men had er geen rekening mee gehouden dat de verhouding tussen de prijs van zilver en goud, de zogenaamde goud zilver ratio, niet altijd gelijk op gaat. Bij de invoering van de zilver standaard in 1848 moest dit systeem dan ook losgelaten worden en werd er jaren lang geen gouden tientje historie geschreven. Pas toen in 1875 de gouden standaard werd ingevoerd liet Koning Willem III zijn hoofd vereeuwigen door nieuwe gouden tientje historie te schrijven. In 1890 nam koningin Wilhelmina de rol van staatshoofd over en onder haar werd de gouden tientje historie voortgezet. Helaas moest koningin Wilhelmina tijdens de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw in 1933 de gouden standaard loslaten. De herwaardering van het Nederlandse munten stelsel en de invoering van de papieren standaard in 1936 zorgen er voor dat het gouden tientje haar status als wettig betaalmiddel verloor en de gouden tientje historie kwam tot een abrupt einde.10

In de jaren daarna werd de gouden tientje herkomst levendig gehouden door beleggers maar de tweede wereldoorlog gooide roet in het eten. Na de oorlog was de vraag waar komt het gouden tientje vandaan hoofdzakelijk interessant voor verzamelaars. Toch wordt aan het begin van de eenentwintigste eeuw de gouden tientje historie nieuw leven ingeblazen door een hernieuwde belangstelling van beleggers. De vraag naar goud is dan zo groot dat alles wat goud bevat goed is om in te beleggen. Een aantal uitvoeringen echter zullen het domein van verzamelaars blijven, al sinds het ontstaan van het gouden tientje is niet altijd hetzelfde aantal munten geslagen. In 1818 en 1826 zijn er maar enkele stuks en in 1892 werden er niet meer dan 61 gouden tientjes geslagen terwijl in 1895 er slechts 149 zijn geslagen. Deze jaargangen blijven daarom zo bijzonder dat alleen verzamelaars de bijbehorende prijzen willen betalen.